
Oprenting van de stamrechtverplichting (als de periodieke uitkeringen nog niet zijn begonnen)
De stamrechtverplichting moet jaarlijks opgerent worden met inachtneming van een acceptabel rentepercentage. De oprenting is voor de stamrecht BV een kostenpost, omdat de stamrechtverplichting groter wordt. Deze oprenting komt dus in mindering op de beleggingsrendementen van de stamrecht BV, waardoor er per saldo weinig tot geen vennootschapsbelasting betaald dient te worden. Bij reeds ingegane uitkeringen vindt de berekening van de stamrechtverplichting anders (actuarieel) plaats.
Voorbeeld:
X krijgt een ontslagvergoeding van € 100.000 van zijn voormalige werkgever. X besluit een stamrecht BV op te richten. De beginbalans is als volgt:
| Balans Stamrecht BV | ||||
| Bank | 118.000 | Aandelenkapitaal | 18.000 | |
| Algemene reserve | 0 | |||
| Eigen vermogen | 18.000 | |||
| Stamrechtverplichting | 100.000 | |||
Stel dat de stamrecht BV 3% rendement kan behalen op zijn bankrekening of effectenrekening. Op dit moment (2011) een redelijk rendement, maar historisch gezien laag. Dat komt neer op een opbrengst voor de BV van € 3.000. De stamrechtverplichting moet ook ieder jaar opgerent worden. Indien dat tegen een rentepercentage van 2% gebeurt, betekent dat een kostenpost van € 2.000. Daarnaast heeft de BV nog wat administratieve verplichtingen in een jaar die neer kunnen komen op een bedrag van € 500.
Het resultaat in de stamrecht BV is als volgt:
| Opbrengst: | Rendement op bankrekening: | 3.000 |
| Kosten: | Oprenting stamrechtverplichting: | -2.000 |
| Administratieve kosten (stel): | -500 | |
| Winst: | (voor vennootschapsbelasting) | 500 |
De balans per 31 december (einde boekjaar, het eerste boekjaar is overigens bijna altijd een verlengd boekjaar) ziet er dan als volgt uit:
| Balans Stamrecht BV | ||||
| Bank * | 120.500 | Aandelenkapitaal | 18.000 | |
| Algemene reserve | 500 | |||
| Eigen vermogen | 18.500 | |||
| Stamrechtverplichting | 102.000 | |||
* Banksaldo komt als volgt tot stand: (118.000 (beginkapitaal) +/+ 3.000 (rendement) -/- 500 (kosten) = 120.500)
De BV is verplicht om de stamrechtverplichting direct of later uit te keren in de vorm van periodieke uitkeringen, omdat de fiscus de gouden handdruk op een of andere manier toch graag wil belasten. Er moet sprake zijn van een reeks van uitkeringen (dus meer dan één) waarvan het totale beloop (aantal of grootte van de termijnen) afhankelijk is van een toekomstige onzekere gebeurtenis. De grootte van de periodieke uitkeringen hoeft niet steeds gelijk te zijn. Er is in ieder geval sprake van een wezenlijke onzekere gebeurtenis wanneer er gedurende de looptijd van de uitkeringen een sterftekans bestaat van tenminste 0,94%.
Dat betekent een looptijd bij de volgende leeftijden:
| Sterftekans: | ||||
| Leeftijd | Leeftijd | |||
| MAN | Minimale looptijd | VROUW | Minimale looptijd | |
| 30 jaar | 120 maanden | 30 jaar | 156 maanden | |
| 35 jaar | 84 maanden | 35 jaar | 120 maanden | |
| 40 jaar | 60 maanden | 40 jaar | 84 maanden | |
| 45 jaar | 41 maanden | 45 jaar | 60 maanden | |
| 50 jaar | 27 maanden | 50 jaar | 41 maanden | |
| 55 jaar | 17 maanden | 55 jaar | 27 maanden | |
| 60 jaar | 10 maanden | 60 jaar | 18 maanden | |
| 65 jaar | 6 maanden | 65 jaar | 12 maanden | |
Een vrouw heeft statistisch gezien een grotere overlevingskans dan een man. Daarom is de looptijd van de periodieke uitkeringen bij een vrouw langer dan de looptijd bij een man. Nog een conclusie aan de hand van bovenstaande tabel is dat hoe ouder een persoon is, hoe korter de looptijd van de periodieke uitkeringen is.
(zie de meer uitgebreide tabel onder der rubriek "Fiscale weetjes", onder de tab "Nieuws".)
Opmerking 1: De looptijd is een minimale looptijd. Iemand van 30 jaar mag ook een periodieke uitkering van 200 of 300 maanden bedingen. Uiteraard worden de maandelijks uitkeringen dan wel lager. De periodieke uitkeringen dienen uiterlijk in te gaan op de maand waarin de gerechtigde de 65 jarige leeftijd bereikt. Ze mogen dus ook eerder ingaan. De periodieke uitkeringen aan de gerechtigde gaan bij zijn overlijden over op zijn echtgenote/partner. Indien deze ook komt te overlijden, gaan de periodieke uitkeringen over naar kinderen of pleegkinderen tot 30 jaar.
Opmerking 2: Als de gerechtigde geen partner of kinderen heeft, valt de stamrechtverplichting vrij in de winst van de stamrecht BV. De stamrecht BV vererft dan naar de erfgenamen. Conclusie: Bij de stamrecht BV is het geld dus nooit weg, zoals bij een verzekeringspolis wel het geval kan zijn.




