Stamrecht BV - De grootste stamrecht specialist van Nederland

Besluiten & wetten

Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2014)

VOORSTEL VAN WET

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in de overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten enkele wijzigingen van overwegend technische aard aan te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

De wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

D. Artikel 39f wordt als volgt gewijzigd:

  1. In het eerste lid wordt "artikelen 10, vijfde lid, onderdeel c" vervangen door: artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c.
  2. In het tweede lid wordt "stamrechtrechtspaarrekening" vervangen door "stamrechtspaarrekening". Voorts wordt "in een bedrag ineens worden uitgekeerd" vervangen door: geheel of gedeeltelijk op een eerder tijdstip worden uitgekeerd dan in de artikelen 11 en 11a, zoals die op 31 december 2013 luidden, en de daarop gebaseerde bepalingen, is bepaald.

Gegeven


De Staatssecretaris van Financiën,
04-06-2014

Artikel 39f Wet op de loonbelasting 1964

Afkoopwaarde loonstamrecht eigen beheer (Vraag & Antwoord 14-001 d.d. 290114)

Vraag
Op grond van het per 1 januari 2014 ingevoerde artikel 39f Wet LB is het mogelijk om een loonstamrecht zonder fiscale sancties af te kopen. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37, Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde.

Wat is de afkoopwaarde van een bij een ‘eigen’ vennootschap (eigen beheer) verzekerd loonstamrecht voor een afkoop op grond van artikel 39f Wet LB?

Antwoord
De afkoopwaarde van een loonstamrecht is afhankelijk van de aard en vorm van het loonstamrecht. Zo moet onder meer onderscheid worden gemaakt tussen ‘gerichte stamrechten’ en ‘zuivere stamrechten’. Onder een gericht stamrecht wordt verstaan een stamrechtovereenkomst waar op het leven van een of meer met name genoemde personen een periodieke (stamrecht-)uitkering is verzekerd, maar waarbij de omvang van de stamrechtuitkeringen nog niet vaststaat. De omvang van de uiteindelijk te ontvangen stamrechtuitkeringen wordt op de ingangsdatum van de uitkeringen vastgesteld aan de hand van de in de stamrechtovereenkomst bepaalde som en de dan geldende verzekeringstarieven voor een periodieke uitkering. Bij een zuiver stamrecht staat de ingangsdatum en de omvang van de te ontvangen periodieke stamrechtuitkeringen al wel vast. Vanaf de ingangsdatum van de stamrechtuitkeringen is er altijd sprake van een zuiver stamrecht. De omvang van de stamrechtuitkeringen moet immers uiterlijk op de ingangsdatum zijn vastgesteld.

Ingeval van een tussen onafhankelijke derden gesloten stamrechtovereenkomst zal de verzekeraar niet bereid zijn om ter zake van de afkoop een hoger bedrag uit te keren dan de reservewaarde, eventueel vermeerderd met de teveel in rekening gebrachte (doorlopende) kosten en verminderd met de nog niet in rekening gebrachte kosten en de royementskosten. De reservewaarde is gelijk aan de tegen de oorspronkelijke tariefgrondslagen actuarieel opgerente netto koopsom van het loonstamrecht. De netto koopsom is de gestorte bruto koopsom na aftrek van de kosten- en winstopslagen van de verzekeraar. De verzekeraar zal wel gemaakte, maar nog niet doorberekende kosten alsnog op de afkoopwaarde in mindering brengen. Wel in rekening gebrachte, maar nog niet daadwerkelijk door de verzekeraar gemaakte (doorlopende) kosten zullen aan de afkoopwaarde worden toegevoegd. De royementskosten zijn de kosten van de verzekeraar die direct met de afkoop te maken hebben (bijvoorbeeld de kosten voor het eerder vrijmaken van de beleggingen voor de stamrechtovereenkomst in verband met de voortijdige afkoop). De verzekeraar zal deze royementskosten voor het bepalen van de afkoopwaarde in mindering brengen op de reservewaarde.

Zoals opgemerkt tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2014 is het daadwerkelijk in de vennootschap aanwezige vermogen niet relevant voor het ter zake van de afkoop van het loonstamrecht in de belastingheffing te betrekken bedrag (Belastingplan 2014, Nota naar aanleiding van het verslag, kamerstukken 33752 nr. 11, blz. 95). Belastingheffing vindt plaats over de afkoopwaarde van de stamrechtaanspraak.

Indien de vennootschap de afkoopwaarde van het in eigen beheer verzekerde loonstamrecht hoger vaststelt dan het geval zou zijn bij een overigens vergelijkbare transactie tussen onafhankelijke derden, kan sprake zijn van onzakelijk handelen en/of een aandeelhoudersbevoordeling. Dit kan gevolgen hebben voor het bedrag dat in verband met de afkoop van het loonstamrecht ten laste van het resultaat van de vennootschap kan worden gebracht of het bedrag en de wijze waarop de uitgekeerde afkoopsom bij de verzekeringnemer/directeur-grootaandeelhouder in de heffing van de inkomstenbelasting wordt betrokken.

Afkoopwaarde gericht loonstamrecht
Bij de in de praktijk meest voorkomende vorm van een gericht loonstamrecht wordt de na aftrek van de kosten- en winstopslagen van de verzekeraar resterende netto koopsom jaarlijks verhoogd met een rentepercentage. Er kan zowel sprake zijn van een vooraf afgesproken vast als van een variabel rentepercentage. De reservewaarde van een dergelijk gericht stamrecht met een periodiek bij te schrijven rente is gelijk aan het bedrag van het opgerente stamrechtkapitaal op het moment van afkoop. Door de reservewaarde te vermeerderen met de teveel in rekening gebrachte (doorlopende) kosten en te verminderen met de nog niet in rekening gebrachte kosten en de royementskosten kan de afkoopwaarde worden bepaald.

Bij een gericht stamrecht kan in de uitstelperiode ook sprake zijn van fractie- of beleggingsverzekeringen waarbij de waardeontwikkeling van de gestorte netto koopsom afhankelijk is van de waarde van de gekoppelde beleggingen. De reservewaarde van een dergelijk gericht stamrecht is gelijk aan de verkoopwaarde van de beleggingen op het afkoopmoment. Ook hier kan de afkoopwaarde worden vastgesteld door de reservewaarde te vermeerderen met de teveel in rekening gebrachte (doorlopende) kosten en te verminderen met de nog niet in rekening gebrachte kosten en de royementskosten.

Afkoopwaarde zuiver loonstamrecht
Bij een zuiver loonstamrecht staat de ingangsdatum en de omvang van de te ontvangen periodieke stamrechtuitkeringen vast. Een onafhankelijke verzekeraar zal niet bereid zijn om een na het sluiten van de stamrechtovereenkomst opgetreden verzwaring van de rekengrondslagen (bijvoorbeeld een toename van de levensverwachting of een daling van de rentestand) door te berekenen in de afkoopwaarde van het loonstamrecht. Daarom is de reservewaarde van een zuiver loonstamrecht gelijk aan de op basis van de oorspronkelijke tariefgrondslagen bepaalde actuariële waarde van de toekomstige periodieke uitkeringen. Door de reservewaarde te vermeerderen met de teveel in rekening gebrachte (doorlopende) kosten en te verminderen met de nog niet in rekening gebrachte kosten en de royementskosten kan de afkoopwaarde worden bepaald.

Nadere beperkingen afkoopwaarde
Indien het actuele tarief voor identieke overeenkomsten op het moment van afkoop gunstiger is dan het voor de bestaande stamrechtovereenkomst gehanteerde tarief, zal een onafhankelijke verzekeraar de afkoopwaarde beperken tot het bedrag van de lagere actuele koopsom. De verzekeraar zal willen voorkomen dat verzekeringnemers bestaande overeenkomsten oversluiten naar een nieuwe identieke overeenkomst om te kunnen profiteren van het actuele gunstiger tarief. In dat geval is de afkoopwaarde dus niet gelijk aan de reservewaarde vermeerderd met de teveel in rekening gebrachte (doorlopende) kosten en verminderd met de nog niet in rekening gebrachte kosten en de royementskosten, maar is de afkoopwaarde gelijk aan het bedrag van de lagere actuele koopsom voor identieke overeenkomsten.

Zowel voor gerichte- als voor zuivere loonstamrechten geldt dat een meetbaar verminderde, gezondheidstoestand van de verzekerde invloed heeft op de hoogte van de afkoopwaarde. Een onafhankelijke verzekeraar zal zich geen mogelijke sterftewinst willen laten ontgaan. Bij een meetbaar verminderde gezondheidstoestand van de verzekerde zal een onafhankelijke verzekeraar daarom niet bereid zijn tot afkoop over te gaan, dan wel zal de verzekeraar de afkoopwaarde verlagen. Tussen onafhankelijke partijen is het gebruikelijk dat de invloed van een verminderde gezondheidstoestand op de afkoop wordt vastgesteld aan de hand van een door een onafhankelijke verzekeringsarts uit te voeren gezondheidskeuring.

Artikel 39f Wet op de loonbelasting 1964

Te belasten bedrag bij afkoop loonstamrecht bij een professionele verzekeraar, een bank of een beheerder van een beleggingsinstelling (Vraag & Antwoord 14-002 d.d. 290114)

Vraag
Op grond van het per 1 januari 2014 ingevoerde artikel 39f Wet LB is het mogelijk om een loonstamrecht zonder fiscale sancties af te kopen. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37, Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde.

Bij de voortijdige afwikkeling van een loonstamrecht, bijvoorbeeld bij afkoop, brengt de stamrechtuitvoerder soms een bedrag in mindering op de waarde van de stamrechtverzekering, het saldo van de stamrechtspaarrekening of de waarde van het stamrechtbeleggingsrecht.

Welk bedrag is dan bepalend voor de belastingheffing ter zake van de afkoop: de door de stamrechtuitvoerder berekende afkoopwaarde van het loonstamrecht of de op het moment van de afkoop aanwezige volledige waarde van de stamrechtverzekering, het saldo van de stamrechtspaarrekening c.q. de volledige waarde van het stamrechtbeleggingsrecht?

Antwoord
De door de stamrechtuitvoerder berekende afkoopwaarde van het loonstamrecht is bepalend voor de belastingheffing. Ingeval van een afkoop op grond van artikel 39f, tweede lid, Wet LB wordt de volledige afkoopwaarde in de belastingheffing betrokken.
Bij een afkoop in 2014 als bedoeld in artikel 39f, derde lid, Wet LB wordt 80% van de afkoopwaarde in de belastingheffing betrokken. Om gebruik te kunnen maken van deze 80%-faciliteit moet het bedrag van de door de ex-werkgever toegekende vergoeding voor gederfd of te derven loon wel vóór 15 november 2013 zijn overgemaakt naar de stamrechtuitvoerder. Bovendien moet de (ex-)werknemer dan in 2014 ineens beschikken over de volledige aanspraak.

Artikel 39f Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013)
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst t/m 2013)

Stamrechtovereenkomst - Omzetting ingegane stamrechten (Vraag & Antwoord 08-033 d.d. 290414)

Vraag
Uit artikel 19b, eerste en achtste lid, Wet LB (tekst 2013), volgt dat een stamrecht fiscaal geruisloos kan worden omgezet in een ander stamrecht mits het nieuwe stamrecht net als het oude voldoet aan de voorwaarden van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013). Geldt deze mogelijkheid ook voor reeds ingegane stamrechten?

Antwoord
Omzetting
Ja, de (gewezen) werknemer kan ook een reeds ingegaan stamrecht fiscaal geruisloos omzetten in een nieuw stamrecht met bijvoorbeeld een andere omvang van de termijnen, een andere looptijd of een andere begunstiging. Hierbij geldt dezelfde voorwaarde die in de vraag is vermeld, te weten dat het nieuwe stamrecht voldoet aan de voorwaarden van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013). Zo kan bijvoorbeeld een ex-werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt een ingegaan stamrecht niet meer omzetten in een uitgesteld stamrecht dat ingaat na het jaar waarin deze leeftijd wordt bereikt. Het nieuwe stamrecht kan dan immers niet meer uiterlijk ingaan in het jaar waarin de gerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet bereikt, zoals het bedoelde artikel vereist.

Nabestaanden
Voor nabestaanden die ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet LB (tekst 2013) op grond van het overlijden van de ex-werknemer gerechtigd worden tot de uitkeringen uit het stamrecht geldt het volgende. Het stamrecht dient bij het overlijden van de ex-werknemer in te gaan. De nabestaande kan dit stamrecht daarom niet omzetten in een uitgesteld stamrecht. Het feit dat de nabestaande op grond van bestaand beleid enige tijd krijgt om de aankoop van het stamrecht te regelen doet hier niet aan af. Zie V&A 10-001.

Wijzigen of afzien door nabestaanden
Voorts kan de nabestaande niet zonder fiscale gevolgen de begunstiging van het stamrecht wijzigen of afzien van de stamrechtuitkeringen. Alleen de ex-werknemer zelf kon in zijn hoedanigheid van verzekeringnemer bij leven de omvang van de rechten van de nabestaanden aanpassen. Vindt toch een wijziging plaats in de (omvang van de) begunstiging dan is hetzij artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, hetzij artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet LB van toepassing bij de nabestaande. De stamrechtaanspraak wordt dan belast naar de waarde in het economische verkeer.

Andere verzekeraar
Het voorgaande geldt ook bij de overgang van de stamrechtverplichting op een andere verzekeraar als bedoeld in artikel 19b, tweede lid, Wet LB, in samenhang met artikel 19b, achtste lid, Wet LB.

Stamrechtknip
Een bijzondere vorm van omzetten is knippen. Vóór het uiterste tijdstip van ingang uit artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013), mag een stamrecht in twee delen worden geknipt, bijvoorbeeld in een deel dat loopt tot het tijdstip waarop de (gewezen) werknemer de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet bereikt en een deel dat ingaat op het moment van het bereiken van deze leeftijd. De omvang en de looptijd van de termijnen van het tweede deel behoeven dan niet vast te staan op het moment van ingang van het eerste deel. De termijnen van het eerste deel mogen variëren maar moeten op het moment van ingang van dat deel wel vaststaan. Zie ook V&A 08-020.

Knippen na de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet
Vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet kan niet meer worden geknipt omdat een stamrecht en dus ook een afgeknipt deel daarvan niet mag ingaan na het jaar waarin de gerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet bereikt. Bij ingang van (een deel van) het stamrecht wegens het bereiken van deze leeftijd moeten alle termijnen van het stamrecht in omvang en looptijd vaststaan. Dat stamrecht mag daarna wel worden gewijzigd (omgezet) zoals beschreven in de eerste alinea.

Stamrechtbanksparen of -beleggen
Waar in dit V&A wordt gesproken over stamrechten, dienen daaronder mede te worden begrepen: stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten in de zin van artikel 11a van de Wet LB.

Aangesloten bij

Strategische samenwerking met