De grootste stamrecht specialist van Nederland 
- al meer dan 4000 Stamrecht BV's bediend!

Nieuws

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft de eerder aangekondigde tegemoetkomingsregeling voor ondernemers, het zogenaamde noodloket, opengesteld. Dat betekent dat ondernemers aanvragen voor de eenmalige tegemoetkoming van € 4.000 nu kunnen indienen. De tegemoetkoming is een gift en bedoeld om de vaste lasten van de onderneming te betalen. De tegemoetkoming geldt per onderneming, dus niet per vestiging indien de onderneming over meerdere vestigingen beschikt. 

De aanvraag moet online gedaan worden op de website de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, www.rvo.nl/tegemoetkomingcorona. De regeling geldt niet voor alle ondernemers, maar voor specifieke branches, op basis van de SBI-code. Het gaat met name om horecagelegenheden, reisbureaus en -organisaties, haar- en schoonheidsverzorging, sportclubs en private culturele instellingen. De volledige lijst met SBI-codes van ondernemingen die kwalificeren voor de regeling vindt u hier. Aanvragen is mogelijk tot en met vrijdag 26 juni 2020. 

Voorwaarden

De onderneming moet, om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming, voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • De onderneming is gevestigd in Nederland en voor 15 maart 2020 opgericht en ingeschreven in het Handelsregister.
  • Het personeelsbestand is niet groter dan 250 personen.
  • De hoofdactiviteit van de onderneming valt onder een van de aangewezen SBI-codes.
  • Het vestigingsadres van de onderneming is niet het privéadres van de eigenaar of eigenaren. Deze voorwaarde geldt niet voor horecaondernemingen met SBI-code 56.10.1, 56.10.2 en 56.30.
  • Bij de aanvraag moet een bankrekeningnummer worden opgegeven op naam van de onderneming.
  • De onderneming is niet failliet en heeft geen verzoek tot surséance van betaling ingediend bij de rechtbank.
  • De onderneming verwacht tussen 16 maart en 15 juni 2020 een omzetverlies van ten minste € 4.000. De onderneming heeft in deze periode naar verwachting ten minste € 4.000 aan vaste lasten, rekening houdend met andere door de overheid beschikbaar gestelde steunmaatregelen.
  • De onderneming heeft over het huidige en de voorgaande twee belastingjaren niet meer dan € 200.000 aan overheidssteun ontvangen.
  • De onderneming is geen overheidsbedrijf.

De uitbetaling vindt zo snel mogelijk na het indienen van de aanvraag plaats.

N.B. Door een storing op de website van rvo.nl is aanvragen op dit moment niet mogelijk.

De aanvragen zullen worden gecontroleerd om fraude te voorkomen. Indien bij controle blijkt dat de tegemoetkoming ten onrechte is uitbetaald, dan zal worden teruggevorderd. Dit kan tot vijf jaar na de uitbetaling.

De Belastingdienst kan, wanneer een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of op een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Daartoe is een nieuw feit vereist. Een feit, dat de inspecteur bekend was of had kunnen zijn, levert geen grond voor navordering op, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

Een procedure voor de rechtbank had betrekking op een navorderingsaanslag. Niet in geschil was dat de inspecteur geen nieuw feit had dat navordering rechtvaardigde. De inspecteur had de oorspronkelijke aanslag opgelegd conform de aangifte terwijl er een boekenonderzoek liep naar aanleiding van een vastgoedtransactie van de belastingplichtige met zijn bv. De rechtbank vond kwade trouw van de belastingplichtige niet aannemelijk gemaakt.

Voor kwade trouw moet worden gekeken naar de gedragingen bij het doen van de aangifte. Er waren geen aanwijzingen dat de belastingplichtige de inspecteur opzettelijk op het verkeerde been heeft willen zetten bij het doen van de aangifte. In een begeleidende brief bij de de aangifte heeft de belastingplichtige een voorbehoud gemaakt voor eventuele correcties voortvloeiend uit het lopende boekenonderzoek.

De aangifte was in het systeem van de Belastingdienst geblokkeerd. Bij een behoorlijke taakvervulling had de inspecteur bij de behandeling van de aangifte een nader onderzoek moeten instellen naar de gegevens van het lopende boekenonderzoek. Het achterwege blijven van dat onderzoek merkte de rechtbank aan als een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten. Dat is een beoordelingsfout die niet, zoals een automatiserings-, schrijf- of typefout door navordering kan worden hersteld.

Een ondernemer heeft recht op aftrek van de hem in rekening gebrachte omzetbelasting als er een rechtstreeks verband bestaat tussen de afgenomen goederen of diensten en door de ondernemer verrichte of te verrichten met omzetbelasting belaste prestaties. Ontbreekt een dergelijk verband, dan heeft de ondernemer recht op aftrek van voorbelasting wanneer de kosten voor de aan hem verrichte leveringen of diensten deel uitmaken van zijn algemene kosten en deze kosten zijn opgenomen in de prijs van door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Dergelijke kosten houden dan rechtstreeks en onmiddellijk verband met de algehele economische activiteit van de ondernemer.

Het vereiste rechtstreekse en onmiddellijke verband met de economische activiteit is aanwezig als de door een ondernemer verworven goederen of diensten noodzakelijk zijn voor zijn bedrijfsvoering en hij zonder die diensten zijn economische activiteit niet zou kunnen uitoefenen of voortzetten.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat een bv geen recht had op aftrek van de op facturen van een advocatenkantoor vermelde  omzetbelasting. Het advocatenkantoor had de dga van de bv in een strafzaak begeleid. De strafzaak betrof de mogelijke betrokkenheid van de dga in zijn rol als dga van een andere bv bij enkele faillissementen. De bv zelf was op geen enkele wijze betrokken bij de faillissementen of bij de strafzaak. Volgens het hof ontbrak een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de diensten van het advocatenkantoor en de economische activiteiten van de bv. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd. Het oordeel van het hof berust op een onjuiste rechtsopvatting of het is onvoldoende gemotiveerd. Het hof had moeten reageren op de stelling van de bv dat zij na de aanvang van de strafzaak vanwege de beschadigde reputatie van haar dga geen opdrachten meer verkreeg en dat zij pas na diens vrijspraak haar ondernemingsactiviteiten heeft kunnen voortzetten.

Volgens de Hoge Raad is niet uit te sluiten dat de behoeften van de onderneming van de bv het afnemen van de advocaatdiensten noodzakelijk maakten, omdat zij geen andere reële mogelijkheden had om het voortbestaan van haar economische activiteit veilig te stellen. In dat geval moet worden aangenomen dat de kosten van de advocaat rechtstreeks en onmiddellijk verband hielden met de gehele economische activiteit van de bv, ook al had de dga ook persoonlijk baat bij de diensten van de advocaat.

Voor het hof was verder in geschil of de aftrek van voorbelasting in dit geval werd verhinderd door het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA). Dit besluit sluit de aftrek van omzetbelasting uit voor zover de goederen of de diensten worden gebezigd voor persoonlijke doeleinden van het personeel. Onder dergelijke diensten valt in beginsel de rechtsbijstand bij strafrechtelijke vervolging van een eigen werknemer.

Deze uitsluiting van aftrek is echter niet van toepassing indien bijzondere omstandigheden de werkgever dwingen tot het afnemen van de diensten. Dat doet zich voor indien de uitgaven voor die diensten primair worden gedaan in het belang van de onderneming en het persoonlijke voordeel van de werknemer voor de werkgever van ondergeschikt belang is.

Indien na verwijzing komt vast te staan dat het voor de onderneming van de bv noodzakelijk was om de diensten van de advocaat af te nemen, moet er volgens de Hoge Raad van worden uitgegaan dat bijzondere omstandigheden de bv hebben gedwongen tot het afnemen van die diensten.

Vanwege de impact van het coronavirus verlenen de grote Nederlandse banken aan zakelijke klanten met een lopend krediet met een uitstaand bedrag tot € 2,5 miljoen uitstel van betaling. Bedrijven krijgen automatisch zes maanden uitstel van betaling voor de rente, aflossing en kosten van hun lopende zakelijke krediet. Dat betekent dat in de maanden april tot en met september geen betalingen voor aflossing en dergelijke zullen worden geïncasseerd. Bedrijven die de rente, aflossing en kosten per kwartaal achteraf betalen krijgen automatisch uitstel daarvoor over het eerste kwartaal van 2020.

De uitgestelde rente, aflossingen en kosten van een rekening-courantkrediet worden in december 2021 door de bank geïncasseerd. Over de uitgestelde bedragen berekent de bank vanaf oktober 2020 rente. De uitgestelde rente, aflossingen en kosten van een zakelijke lening moeten uiterlijk aan het einde van de looptijd in een keer worden terugbetaald. Vanaf oktober wordt over de uitgestelde bedragen rente berekend.

Dat betekent dat bedrijven aan het einde van de regeling voldoende geld op hun bankrekening moeten hebben staan om de uitgestelde bedragen in één keer te kunnen betalen. Als dat niet lukt kan de bank op dat moment extra rente of kosten in rekening brengen. 

Het uitstel is bedoeld om negatieve effecten op de liquiditeit van bedrijven door de coronacrisis tegen te gaan. Bedrijven die geen uitstel van betaling nodig hebben, kunnen afzien van deze regeling. Zij moeten dat zelf melden bij hun bank.

De regeling geldt niet voor zzp’ers. De banken zoeken in overleg met de overheid naar maatregelen voor deze groep.

Voor grootzakelijke klanten en voor bedrijven met een krediet van meer dan € 2,5 miljoen worden oplossingen op maat gezocht.

In verband met de uitbraak van het coronavirus zijn met ingang van dinsdag 17 maart de rechtbanken, gerechtshoven en bijzondere colleges gesloten. Alleen zaken waar een rechterlijke beslissing niet achterwege kan blijven gaan door. Publiek is niet meer welkom bij de rechtszaken die doorgang vinden. De maatregelen duren in ieder geval tot 6 april.

De plaatsing van zonnepanelen op een nieuwbouwwoning geeft geen recht op aftrek van (een deel van) de voorbelasting, die drukt op de bouw van de woning. Dat volgt uit een uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden. 

Het voor de aftrek van voorbelasting vereiste rechtstreekse en onmiddellijke verband tussen de levering van energie via de zonnepanelen en de bouw van de woning ontbrak. De werkzaamheden voor de bouw van de woning waren niet nodig om de ondernemer in staat te stellen om met behulp van zonnepanelen energie op te wekken. De panelen hadden in een zonnepark kunnen worden geplaatst of op al bestaande gebouwen. 

In deze casus was geen sprake van een woning die in zijn geheel aan het bedrijfsvermogen was toegerekend.

Het recht op aftrek van voorbelasting bleef beperkt tot de omzetbelasting die drukte op de zonnepanelen. Het hof heeft de andersluidende uitspraak van de rechtbank vernietigd.

De discussie of een auto ten tijde van de registratie in Nederland nieuw of gebruikt is, duurt voort. Het belang is groot, omdat voor gebruikte auto’s de bpm lager is dan voor nieuwe auto’s. Een nieuwe auto is een auto die na de vervaardiging niet of nauwelijks in gebruik is geweest. 

Bij een geschil over de staat van een auto ten tijde van de registratie in Nederland rusten de stelplicht en de bewijslast van de gebruikte staat op de belanghebbende, die zich op de vermindering van bpm beroept.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is, ook in gevallen waarin een auto geen gebruikssporen vertoont, elke exacte grens op basis van de kilometerstand arbitrair. Van geval tot geval zal de staat van de auto dienen te worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden. Naar het oordeel van het hof kan van auto’s met kilometerstanden van respectievelijk 814, 782 en 797 niet gezegd worden dat zij na de vervaardiging niet of nauwelijks zijn gebruikt. Het hof vindt niet van belang dat deze kilometerstanden zijn bereikt door het in één enkele rit verplaatsen van de auto’s van de leverancier naar de belanghebbende. De procedure had betrekking op drie in België nieuw gekochte auto’s die na de aankoop naar Nederland werden gereden.

Hof Den Haag en Hof Amsterdam hebben recent anders geoordeeld. Volgens deze hoven is een auto met maximaal 1.000 km op de teller nieuw.

Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet moet de opzegging  onverwijld worden gedaan wegens een dringende reden.

De opzegging om een dringende reden moet zo spoedig mogelijk worden gedaan nadat de dringende reden zich heeft voorgedaan. Voor het antwoord op de vraag of het ontslag op staande voet al dan niet onverwijld is gegeven, is beslissend op welk tijdstip de feiten die als de dringende reden worden aangevoerd ter kennis zijn gekomen van de werkgever. Bij een vermoeden van een dringende reden heeft de werkgever de tijd om zich van de juistheid van dat vermoeden te vergewissen voordat hij tot ontslag overgaat. Hoeveel tijd de werkgever heeft is afhankelijk van de omstandigheden, zoals de aard en omvang van een eventueel noodzakelijk onderzoek en de voorzichtigheid die daarbij geboden kan zijn, de noodzaak om rechtskundig advies in te winnen en het verzamelen van bewijsmateriaal. De werkgever moet de nodige zorg betrachten om te vermijden dat de werknemer in zijn belangen wordt geschaad mocht het vermoeden niet juist blijken te zijn.

Hof Den Bosch is van oordeel dat een op 4 februari gegeven ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, hoewel de werkgever al op 16 januari  bekend was met een deel van de feiten waarop het ontslag gegrond was. De werkneemster is op die datum wel op non-actief gesteld. Volgens het hof was nader nader onderzoek nodig omdat de werkneemster van meer ongeregeldheden in de administratie en het beheer van contant geld werd verdacht. Het hof vond begrijpelijk dat met het uitvoeren van het onderzoek enige tijd was gemoeid. Het hof merkte verder op dat het ontslag op staande voet niet eerder dan op 4 februari had kunnen worden gegeven omdat de werkneemster door ziekte niet eerder beschikbaar was voor overleg.

Het hof oordeelde verder dat ook aan het vereiste van een dringende reden was voldaan. De werkneemster had zonder toestemming contant geld van de werkgever mee naar huis genomen. Het ging om een bedrag van minimaal € 25.000. In de administratie had de werkneemster dat niet vermeld. De administratie schoot tekort in die zin dat niet direct duidelijk werd hoeveel geld de werkneemster van de werkgever onder zich had. De werkneemster had ook de bedragen in de kluis van de werkgever te hoog op laten lopen, hoewel zij wist dat de werkgever maar voor een beperkt bedrag verzekerd was. De werkneemster werd ook verweten dat zij niet meteen de code van de kluis aan haar leidinggevende had gegeven en had geprobeerd onopgemerkt een envelop met geld terug in de kluis te leggen. De werkgever heeft zich volgens het hof terecht op het standpunt kunnen stellen dat hij het vertrouwen in de werkneemster volledig kwijt is geraakt.

Volgens het hof is het ontslag op staande voet rechtsgeldig.

Aangesloten bij

Strategische samenwerking met